RSS feed voor het nieuws van www.elkz.nl

plus minus gleich
"Mooie muziek is de kunst van de profeten. Het kan onze ziel rustig maken. Muziek is een van de meest prachtige en heerlijke cadeau's die God ons heeft gegeven." - Maarten Luther


De preek van zondag 11-11-'12

E-mailadres Afdrukken

Jezus beantwoordt de vraag van die schriftgeleerde zoals het betaamt: als een vraag naar de kern van alle geboden, als de vraag naar het hart van de schrift. Het lijkt alsof hem wordt gevraagd, een keuze te maken uit Gods geboden. "Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?" Dat zou niet eens zo'n gekke vraag zijn, als je bedenkt dat er volgens joodse telling 613 geboden en verboden in de Tora zijn gegeven. Zoek daarin je weg maar eens. Dan moet je toch wel onderscheid maken?

Maar stel dat Jezus had geantwoord met een concreet gebod: dit of dat gebod is het grootste. Tegen de achtergrond van de bredere toenmalige joodse discussie over de Wet, waaraan ook Jezus moet hebben meegedaan, zou dat niet gekund hebben. Want de Tora is in zijn geheel door God gegeven, het is niet aan de mens om er daaruit één kiezen. Dat zou suggereren dat er wel een gemist kan worden.

En toch antwoordt Jezus met twee verzen uit de boeken Leviticus en Deuteronomium:  "Luister Israël. De Heer onze God is de enige Heer, heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht." Het op één na belangrijkste gebod is dit: Heb uw naaste lief als uzelf. Er zijn geen geboden belangrijker dan deze."

            Het líjkt misschien wel zo, maar toch gaat het Jezus er niet om deze twee geboden los te maken van de andere en ervan te zeggen: als ik dan een keuze moet maken, dan deze. Het gaat hem erom te laten zien dat zij de kern vormen van alle geboden. Dat in alle geboden die liefde voor God en de naaste meeklinkt. Het gaat Jezus meer om de rode draad, om de geest van de wet, die leeft onder de letters van de vele geboden. Het woord  'belangrijkste' is een vertaling van 'eerste' dat er staat en 'eerste' is naar mijn overtuiging ook te verstaan als 'principieel'. De geboden over de liefde tot God en tot de naaste zijn daarmee het beginsel, de basis voor alle andere geboden.

            Die geboden, die in het geheugen van de schriftgeleerde en dat van Jezus gegrift staan, als waren ze de stenen tafelen van Mozes zelf, die enorme lijst geboden blijven ook voor Jezus alle even heilig, want ze zijn door God gegeven, maar ze hebben wél een diepste kern, waarmee ze allemaal verbonden zijn. Zo klopt er onder die enorme hoeveelheid geboden een warm hart van liefde, dat als het ware twee kamers heeft: een kamer voor God en een voor de medemens. En die twee kamers in dat hart kunnen nooit los van elkaar worden bezien. Bijbels gezien is het absurd als iemand zou zeggen: ik houd alleen van God en ik geef niets om mensen. Iemand die alleen voor God gaat en geen oog heeft voor mensen, die zouden wij toch zeker godsdienstwaanzinnig noemen? "Als je geen liefde hebt voor elkaar, leef je buiten Gods gloria", zo leerde mijn generatie en velen na ons uit de bundel Alles wordt nieuw. Maar het is, joods en christelijk, al even onmogelijk om te zeggen, ik houd alleen van mensen en met God heb ik niks te maken. Natuurlijk is dat als keuze wel mogelijk: wij hóeven niet in God te geloven. Niemand dwingt ons daartoe. De Kerk doet dat gelukkig niet meer, maar ook God dwingt ons niet. Filosofisch gezien zijn wij volstrekt vrij om niet van God te houden. Maar toch is het, christelijk bekeken, onmogelijk God buiten ons geloof te houden. Want dan zou ook onze liefde voor de medemensen alleen gebaseerd zijn op wat wijzelf vinden of kunnen opbrengen.

            Liefde voor God moet vanuit de bijbel altijd worden benaderd vanuit de liefde van God. God heeft ons eerst liefgehad. Onze liefde kan alleen antwoordende liefde zijn op de gave van God. Liefde gaat van God uit. Maar zo komt hij wel in onze handen terecht. God wil dat wij hem liefhebben met hart en ziel, verstand en kracht en onze naaste als onszelf. God dienen is elkaar dienen. Godsdienst is ook mensendienst. Nogmaals: God willen dienen zonder naar mensen om te zien, dat kan niet. En liefhebben, dat is niet elkaar lief en aardig vinden, of doen alsof wij geen moeite met elkaar zouden kunnen hebben. Uiteindelijk houd je dat niet vol. Liefhebben is, bijbels gezien, zorgdragen voor elkaar. Zoals je verantwoordelijk bent voor jezelf, de zorg die je aan je eigen lichaam en geest schenkt - want dat zijn wij ook, het is evenmin goed om ons eigen welzijn te schaden of te verwaarlozen - zo ben je ook verantwoordelijk voor elkaar. God vraagt ons compassie te hebben met mensen die zijn zoals wijzelf, mensen met dezelfde gevoelens, dezelfde angsten en vreugden. Hij vraagt ons onze samenleving te bouwen op het fundament van iets dat op zijn liefde, zijn verbondstrouw aan ons lijkt. Zoals God bijna menselijk wordt voorgesteld, in de Bijbel, als het over zijn liefde voor de mensen gaat, zoals God in staat is zich in te leven in zijn schepselen, zó lijken wij mensen op elkaar. En daarom: "Heb uw naaste lief als uzelf". God zelf heeft ons het vermogen gegeven om lief te hebben, ook diegenen lief te hebben, die ver van ons afstaan, omdat wij ze vreemd vinden. Alle liefde put kracht uit hem, die zelf liefde is.

            God liefhebben met heel je hart, je ziel en je verstand en je naaste als jezelf. Dat is een boodschap die gehoord moet worden. Allereerst door onszelf, door mensen die worden aangesproken door Gods Woord. Het gaat erom, dat wij dat hart van Gods Wet, van zijn liefdesveklaring aan ons in Jezus Christus, ook  in ons eigen hart, ziel,  verstand en kracht mee zullen dragen. Wij zijn zo als het ware een scharnierpunt van Gods liefde: via ons wordt die liefde concreet. En daarmee is het ook een boodschap die naar buiten gebracht moet worden, naar de samenleving, naar de economische en politieke verhoudingen in eigen land en in de wereld. Vanuit ons hart moeten wij ons inzetten in de samenleving, waar het dan gaat over

-       hoe er enorm wordt bezuinigd op ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking.

-       hoe de zorg en de inkomenspolitiek worden geregeld en hoe je daarin zorgt dat de zwaksten er in elk geval niet op achteruit gaan

-       maar ook over hoe hoe wij als burgers in het dagelijks en publieke leven met elkaar omgaan en hoe we elkaar bejegenen en hoe dan de reikwijdte is van de vrijheid van meningsuiting, zeker na een in- en in-triest geval van zelfdoding door een vernederde jongen

Is er nog iets van naastenliefde, van zorg, van eerbied te herkennen in hoe wij met elkaar communiceren, in al die plannen en besluiten of  niet?  Wanrt daar komt het erop aan of wij iets waarmaken van dat gebod: heb uw naaste lief als uzelf. Voor onze eigen belangen kunnen we opkomen vanuit een soort oerinstinct en voor dat van onze geliefden, maar wat, als de relaties een beetje verder af zijn? Wat als er een kloof gaapt tussen mijn naaste en mij van,  laten we zeggen, 20.000 euro per jaar?

            De boodschap over liefde voor God en de naaste kunnen we zonder meer prediken, in demaatschappij zoals die is. De samenleving is geen kerk en dat is maar goed ook. Want zelfs een theocratie, een zogenaamde godsregering, blijft mensenwerk. We moeten die boodschap dus vertalen. Dat in de liefde, de zorg die wij elkaar en anderen zullen geven de liefde van God voor ons en onze eerbied voor God meeklinkt, dat is in eerste instantie een zaak voor ons. Dat hoeft degene die ermee geholpen is niet altijd te horen. Maar wíj moeten het wel weten. En dan komt het aan op geloof. Wij moeten erop durven vertrouwen dat God zélf erin meedoet. Want wij kunnen enkel leven mét liefde als wij ook leven ván liefde. En daarom: ook al zijn er 613 geboden in de Wet, wij hoeven ze niet alle te onthouden. Als we de kern van die geboden maar voor ogen hebben en houden. Wat God van ons vraagt in al die geboden, past in de twee kamers van één hart.